Opwarming van de Waddenzee leidt tot minder schelpdieren

Schelpdieren spelen op het wad een sleutelrol als voedsel voor vogels. Speciaal in zomers volgend op een strenge winter kan de nieuwe generatie schelpdieren in de Waddenzee heel groot zijn. De roofvijanden van jonge schelpdieren als krabben en garnalen zijn dan juist minder talrijk. Door het warmer wordende klimaat komen strenge winters minder vaak voor. Het gevolg is, dat er in steeds meer jaren veel krabben en garnalen op het wad zijn en de voortplanting van schelpdieren steeds vaker mislukt.

Dit blijkt uit analyses van lange termijn dataseries van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, waarover twee artikelen zijn verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift Marine Ecology Progress Series; één ervan als hoofdartikel.

Het NIOZ verzamelt in de westelijke Waddenzee op het Balgzand al sinds 1970 met steeds dezelfde methoden gegevens over de talrijkheid van verschillende soorten schelpdieren, krabben en garnalen. Uit de dataserie blijkt dat er van jaar tot jaar sterke fluctuaties zijn. De aantallen gevonden jonge schelpdieren, zoals kokkels, mossels en nonnetjes waren hoog in zomers volgend op een strenge winter. In de voorjaarperioden na een strenge winter waren krabben en garnalen juist schaars aanwezig op het wad. Deze bij veldmetingen gevonden verbanden tussen de talrijkheid van schelpdieren en hun roofvijanden zijn ook experimenteel bevestigd. Als een stukje wadbodem wordt afgeschermd tegen krabben en garnalen, dan neemt het aantal jonge schelpdieren daarbinnen sterk toe. Die toename wordt echter meteen weer teniet gedaan wanneer er vervolgens krabben en garnalen worden geïntroduceerd in het afgeschermde gebiedje.