Minder algengroei door minder fosfaat

In het westelijke deel van de Waddenzee wordt de hoeveelheid algen beperkt door een verlaging van de hoeveelheid anorganisch fosfaat in het zeewater. Dat is een conclusie uit het proefschrift van Juliette Ly van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), waarop zij vandaag hoopt te promoveren aan de Universiteit van Amsterdam, bij het Institute for Biodiversity and Ecosystem Dynamics (IBED).

Ly bestudeerde fytoplankton, eencellige algen die vrij in het water zweven. Ze zijn een belangrijke voedselbron voor schelpdieren en vormen de basis van het voedselweb. In de jaren tachtig is geprobeerd om de grote hoeveelheid voedingsstoffen (eutrofiering) in het water te beperken. Dit is wat betreft het anorganische fosfaat gelukt: het blijkt dat er nu duidelijk minder anorganisch fosfaat in het water zit. Voor anorganische stikstof is dit minder gelukt.

Ly heeft onderzocht of de vermindering van de fosfaatbelasting in de Noordzee heeft geleid tot een afname van groei van het fytoplankton in de Waddenzee. Hiervoor heeft ze op verschillende tijdstippen in het jaar monsters genomen van Waddenzee-water met fytoplankton. Van deze monsters heeft ze gekeken hoeveel fytoplankton er in zat en welke soorten. Ook heeft ze in proefopstellingen gekeken wat er gebeurde als er kunstmatig anorganisch fosfaat werd toegevoegd. Met name in het voorjaar bleek het fytoplankton dan harder te gaan groeien. In april en mei is de hoeveelheid anorganisch fosfaat dus een beperkende factor. Dit bleek niet het geval te zijn voor anorganisch stikstof.