Samenvatting QSR 1999

Inleiding

Het 1999 Quality Status Rapport Waddenzee is het derde rapport dat in het kader van de trilaterale Waddenzee Samenwerking is opgemaakt. Het geeft een complete en geïntegreerde beoordeling van het ecosysteem van de Waddenzee en de menselijke activiteiten die hierop invloed hebben. Evenals de vorige QSR (1985) is ook deze QSR gemaakt onder verantwoordelijkheid van de "Trilaterale QSR Groep" en de "Trilaterale Monitoring and Assesment Groep" (TMAG). Ongeveer 60 personen van diverse (semi)overheids- en niet-gouvernementele organisaties hebben meegewerkt aan het QSR, waarvan een groot aantal op vrijwillige basis.

Met zijn 250 pagina's is dit rapport uitgebreider dan zijn voorgangers. Het bevat hoofdstukken over bescherming en beheer, menselijk gebruik, klimaat, mariene chemie en biologie. Voor de eerste keer wordt ook ingegaan op duinen, stranden en de kustzone. Dit wordt gedaan omdat in de regeringsconferentie van Leeuwarden in 1994 is vastgesteld dat deze habitats deel moeten gaan uitmaken van het trilaterale samenwerkingsgebied.

Het hoofdstuk "Bescherming en Beheer" beschrijft de (inter)nationale wet- en regelgeving met betrekking tot de Waddenzee. In het hoofdstuk "Menselijke Activiteiten" wordt een overzicht gegeven van het complete scala aan bedrijvigheid, dat van invloed is op de Waddenzee in haar fysische, chemische en biologische aspecten, tezamen de ecologie. Veranderingen in het klimaat en de gevolgen daarvan voor de Waddenzee worden behandeld in het hoofdstuk "Klimaat". Het hoofdstuk "Mariene Chemie" bevat zowel gegevens over voedingsstoffen en verontreinigingen als de ontwikkelingen daarin gedurende de periode 1985 - 1996. De Nederlandse vertaling biedt als extra een langere evaluatieperiode, tot en met winter 1998, en meer monitoringgegevens voor de Nederlandse Waddenzee en Eems-Dollard. In het hoofdstuk "Biologie" worden lange termijn metingen beoordeeld, variërend van metingen aan chlorofyl en macrozoöbenthos tot het niveau van de zeezoogdieren. Voor de eerste keer worden gegevens gepresenteerd van de "Demersal Young Fish Survey" (DYFS). In hetzelfde hoofdstuk worden eveneens de habitattypen van de Waddenzee beschreven. In het laatste hoofdstuk "Evaluatie en Aanbevelingen" is de overkoepelende beoordeling vormgegeven volgens het stramien van de ecologische doelstellingen ("ecological targets"), afgesproken op de 7de Trilaterale Gouvernementele Conferentie in Leeuwarden (1994), en evalueert de voortgang wat betreft implementatie van deze doelen.

Hieronder worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen weergegeven die binnen het QSR zijn opgesteld.

Kwaliteit van water, sediment en biota

Nutriënten en eutrofiëring
Het doel "Een Waddenzee die kan worden beschouwd als een eutrofiërings-niet-probleemgebied" houdt verband met de OSPAR-Conventie, waarbij het OSPAR-Conventiegebied wordt onderverdeeld in gebieden met eutrofiëringsproblemen, niet-probleemgebieden en potentiële probleemgebieden. De criteria voor het onderscheiden in deze categorieën zijn recent opgesteld in een trilateraal project. De resultaten komen dit voorjaar beschikbaar, waardoor bij de evaluatie van dit doel nog geen gebruik kon worden gemaakt van deze gegevens.

In de meeste gebieden van de Waddenzee zijn de fosfaatgehalten in water significant afgenomen. Voor nitraat- en chlorofylgehalten blijkt dit echter niet het geval. Als reden voor de blijvend hoge primaire productie worden verschillende factoren genoemd: toevoer van organisch materiaal vanuit de aangrenzende Noordzee-kustzone, nalevering van fosfor uit de bodem en het feit dat stikstof, en niet fosfor, de belangrijkste beperkende factor is voor primaire productie.

De N/P-ratio is toegenomen is sommige gebieden, met name in de westelijke Waddenzee. De duur van Phaeocystis-bloei in het Marsdiep is daarentegen niet afgenomen. De duur van Phaeocystis-bloei bij Norderney is afgenomen in de periode 1993 - 1996, wat in overeenstemming is met de afnemende opgeloste N- en P-concentraties. Een sterke toename van potentieel toxische algensoorten is niet waargenomen in de eerste helft van de jaren negentig.

Een lange termijn-evalutatie op basis van macrozoöbenthos -gegevens, gemeten op vijf locaties in de Waddenzee, maakte duidelijk dat macrozoöbenthos tot op zekere hoogte wordt gereguleerd door strenge winters en dat -met uitzondering van Balgzand- geen duidelijk causaal verband bestaat met de hoogte van de primaire productie of eutrofieëringsgraad. De sinds 1988 waargenomen groei in de macrozoöbenthos-biomassa in de kustzone van Norderney wordt gerelateerd aan milde winters.

Het wordt aanbevolen om met name met betrekking tot de reductie van stikstofverbindingen het huidige beleid te continueren en uit te voeren.

Natuurlijke microverontreiniging
Voor natuurlijke microverontreinigingen is het doel "Achtergrondconcentraties van natuurlijke microverontreinigende stoffen in water, sediment en indicatorsoorten" opgesteld.

De concentraties van vier van de vijf beschreven metalen naderen de achtergrondwaarden. De uitzondering is kwik, waarvan de concentraties nog steeds drie tot tien keer zo hoog liggen als de achtergrondconcentraties. Van alle vijf onderzochte metalen zijn de gehalten in het sediment lager dan de voorlopige OSPAR ecotoxicologische analysecriteria (EAC). Concentraties van metalen zijn afgenomen in mosselen, maar zijn behalve zink nog steeds boven de achtergrondwaarde.

De concentraties van Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK's) in sediment liggen in het bereik van de achtergrondwaarden en blijven beneden de EAC-waarden.

Xenobiotische stoffen
Het doel voor deze xenobiotische of kunstmatige stoffen is vastgesteld als "Concentraties Kunstmatige Stoffen als gevolg van nul-lozingen". De concentraties PCB's in sediment en pesticiden op basis van gechloreerde koolwaterstoffen in vogeleieren vertonen een geleidelijke daling. Tributyltin (TBT) is een reden van bezorgdheid, aangezien in sediment concentraties tot 1000 maal de EAC-waarde zijn gemeten. Aanbevolen wordt de situatie rond TBT grondiger te analyseren door nader onderzoek in trilateraal verband. Ten aanzien van xenobiotische stoffen en de vermindering in het gebruik van pesticiden wordt aanbevolen het beleid in de geëigende kaders te intensiveren.

Getijdengebied

Voor het getijdengebied zijn twee typen doelen opgesteld, namelijk doelen ten aanzien van de geomorfologie en doelen ten aanzien van de biologie. Geconcludeerd is dat, tengevolge van menselijke activiteiten, het vermogen van het systeem om stijging van de zeespiegel het hoofd te bieden mogelijk is afgenomen. Onder menselijke activiteiten worden hierbij in het bijzonder verstaan permanente kustverdedigingswerken, maar ook visserij, baggerwerkzaamheden, zandwinning en gaswinning. Ook de voorwaarden voor het bezinken van fijnkorrelig sediment zijn mogelijk slechter geworden.

Het doel "een groter gebied met, en een natuurlijker verdeling en ontwikkeling van natuurlijke mosselbanken sabellaria-riffen en zeegrasvelden" is nog niet bereikt. De achteruitgang in omvang en aantal van volgroeide mosselbanken en zeegrasvelden heeft zich in dit decennium voortgezet.

De afname van deze structuurbouwende gemeenschappen zou ook de hydrologie en sedimentologie in het getijdengebied kunnen beïnvloeden. De recent verkregen kennis omtrent hydrologische en geomorfologische processen, de interacties hiertussen en de rol van mosselbanken en zeegrasvelden is nog onvoldoende. Er is dringend behoefte aan nader onderzoek naar de interacties tussen sedimentatie, verstoringen en daaropvolgende biotische ontwikkelingen.

Kwelders

De doelen voor kwelders zijn vastgesteld als "Een groter areaal natuurlijke kwelders" en "Een verbeterde natuurlijke plantengroei in de kunstmatige kwelders".

Er is veel bereikt in de afgelopen tien jaar met betrekking tot verbetering van de natuurlijke toestand in de kwelders door het verminderen of geleidelijk elimineren van begrazing en kunstmatige ontwatering. Het ontdijken van zomerpolders is tot dusverre alleen toegepast in de Nederlandse Waddenzee. Deze werkwijze vergroot niet alleen het kweldergebied, maar zou ook gunstig kunnen zijn voor het creëren van nieuwe zoet-zoutovergangen en voor het in stand houden van de sedimentbalans in het getijdengebied.

Een nauwkeurige vergelijking van de situatie met betrekking tot de natuurlijke toestand van kwelders in de verschillende delen van de Waddenzee is op korte termijn niet mogelijk vanwege het ontbreken van actuele gegevens en gemeenschappelijke criteria. De laatste uitgebreide inventarisatie van de toestand van de kwelders in de Waddenzee is uitgevoerd in 1986. Aanbevolen wordt een nieuw onderzoek te starten op basis van geharmoniseerde kwaliteitscriteria.

Stranden en duinen

De doelen voor stranden en duinen luiden als volgt: "Grotere natuurlijke dynamiek van de stranden, primaire duinen, strandvlakten en primaire duinvalleien in relatie tot de kustwateren" en "Een grotere aanwezigheid van een complete natuurlijke successie van vegetatie".

De status van de duinen in het Waddenzeegebied werd en wordt nog steeds bepaald door op behoud gerichte kustbeschermingsmaatregelen die hetzij direct (aanplant van Helmgras) hetzij indirect (aanleg van zanddijken, golfbrekers enz.) de zoneringspatronen in stand houden. Dientengevolge is er een relatief hoog percentage tussenstadia en zijn primaire en oudste stadia ondervertegenwoordigd.

Er zijn aanzienlijke verschillen in het percentage primaire duinen tussen de verschillende eilanden, maar in het algemeen kan men concluderen dat er een groot potentieel is voor verwezenlijking van de doelen.

Estuaria

De doelen voor estuaria zijn vastgesteld als: "Waardevolle delen van estuaria zullen worden beschermd" en "Rivieroevers zullen in hun natuurlijke staat worden gehandhaafd en, voor zover mogelijk, in hun natuurlijke staat worden hersteld."

In het Waddenzeegebied zijn slechts vijf estuaria overgebleven (Eems, Weser, Elbe, Godel, Varde Å). Als gevolg daarvan is er nauwelijks sprake van natuurlijke zoet-zoutovergangen in het Waddenzeegebied. De estuaria van de Varde Å en de Godel hebben hun natuurlijk karakter behouden.

De Eems, Weser en Elbe en hun zijrivieren zijn aanzienlijk veranderd door bedijking en uitdieping. De antropogene invloed op deze estuaria neemt nog steeds toe ten gevolge van de huidige uitdieping van de Elbe en de Weser en de bouw van een stormvloedkering in de Eems. Derhalve moet worden geconcludeerd dat deze estuaria steeds minder in plaats van steeds meer aan de beoogde toestand (het doel) voldoen.

Kustwateren

Het doel voor de kustwateren is "Een verhoogde natuurlijke morfologie, ook in de buitendelta's tussen de eilanden."

Zowel vanuit fysisch als uit biologisch perspectief is er een nauwe samenhang tussen de kustwateren en het getijdengebied.

Vanwege de vele interacties tussen de kustwateren en het getijdengebied wordt aanbevolen het beheer en de bescherming van deze beide habitats nauwkeurig op elkaar af te stemmen. Bij de evaluatie van invloeden in de kustwateren moet ook rekening gehouden worden met gevolgen in het getijdengebied en vice versa.

Vogels

Voor vogels optimale condities voor voedselbeschikbaarheid, broed-, pleister- en ruigebieden zijn vastgesteld als doel.

De populaties van vele vogelsoorten in de Waddenzee zijn in de afgelopen decennia toegenomen en weinige zijn afgenomen. De belangrijkste factoren die aan de toename van broedvogels hebben bijgedragen, zijn verbeterde bescherming gedurende het broedseizoen, aanzienlijke vermindering van het eierenrapen en lagere verontreinigingsniveaus. De populaties van Strandplevier en Dwergstern zijn afgenomen, hetgeen te wijten is aan een gebrek aan broedplaatsen op stranden en in primaire duingebieden die voldoende rust bieden. Het wordt onder andere aanbevolen het aandeel van strandhabitats dat voor vogels beschikbaar is te vergroten en om de meest geliefde habitats, zoals primaire duinen, strandwallen, zandkuilen en schelpenbanken voor vogels te reserveren.

Zeezoogdieren

Het doel voor deze categorie is "Levensvatbare bestanden en een natuurlijke reproductiecapaciteit van de Gewone zeehond, de Grijze zeehond en de Bruinvis."

De omvang van de populatie Gewone zeehonden is veel groter dan vóór de epidemie in 1988. De populatie kan als levensvatbaar worden beschouwd. De populatie Grijze zeehonden in de Waddenzee is betrekkelijk klein. De waargenomen groei is mede te danken aan immigratie. Er is te weinig kennis aanwezig om te kunnen beoordelen of deze populatie levensvatbaar is. Over de populatiedynamica van de Bruinvis is te weinig bekend om het doel te evalueren.

Bron: Bakker, J.F.
Datum: 23-3-2000