Op deze pagina vindt u de informatie over fauna en flora afkomstig van de gezamenlijke waddenoverheden met feiten en figuren van jaar tot jaar:
Vijf voor twaalf voor de Blauwe Kiekendief
In 2008 en 2009 nam het aantal broedende Blauwe Kiekendieven op de Waddeneilanden opnieuw verder af. In 2009 werden nog maar 17 broedparen gevonden: dat is nog niet de helft van het aantal in 2007 (36). Op Ameland, voorheen een bolwerk, kwamen in 2009 helemaal geen Blauwe Kiekendieven meer tot broeden.
De blauwe Kiekendief is een Rode Lijstsoort, die in ons land nog uitsluitend in het Waddengebied broedt. Door de huidige trend komt de soort nog verder in de gevarenzone en lijkt het uitsterven in Nederland nog een kwestie van enkele jaren.
Waarom de afname aanhoudt is nog niet opgehelderd. Er zijn aanwijzingen dat de conditie van de jongen vaak slecht is. Een analyse van ringgegevens zou moeten uitwijzen in hoeverre omstandigheden in de overwinteringsgebieden een rol spelen. Daarnaast blijft verstoring van nesten door mensen een probleem, zoals in 2009 opnieuw vastgesteld op Terschelling.
Opvallend is dat de Blauwe Kiekendieven het verhoudingsgewijs goed doen op de Duitse Waddeneilanden van Nedersaksen. Aangespoord door de snelle afname in Nederland is men in de Duitse Waddenzee nu ook begonnen de broedbiologie van de Blauwe Kiekendief te onderzoeken. Daaruit blijkt dat in Nederland geboren en geringde Blauwe Kiekendieven geregeld in de Duitse Waddenzee opduiken. Intensivering van het onderzoek aan beide zijden van de grens zou belangrijke informatie kunnen opleveren over het waarom van de contrasterende aantalsontwikkelingen.
Trilaterale aantalsontwikkelingen: vooral broedende steltlopers in de min
Van de 13 soorten broedvogels die in de trilaterale Waddenzee sinds 1991 een afname laten zien zijn er 11 steltlopers, zo blijkt uit de nieuwste analyse van internationale waddenzeetrends die later in 2009 beschikbaar komen op www.waddensea-secretariat.org. Watersnip, Kemphaan en Bonte Strandloper staan op het punt van verdwijnen als broedvogel. Onder de andere steltlopers vertonen Strandplevier en Bontbekplevier de sterkste afname; hun aantallen halveerden in de afgelopen tien jaar. De meeste andere steltlopers namen in dezelfde periode met 20-30% in aantal af. Van betrekkelijk recente datum is de afname van de Tureluur, die sinds 2000 vooral in de Nederlandse en Duitse Waddenzee terrein heeft prijsgegeven. Tegenover de afname van steltlopers blijven vooral in kolonies broedende soorten het goed doen, met name Aalscholver, Lepelaar, Zwartkopmeeuw en Kleine Mantelmeeuw.
Nederland scoort slecht bij broedvogels in trilateraal opzicht
In vergelijking met de Deense en Duitse Waddenzee doen veel broedvogels het naar verhouding slecht in de Nederlandse Waddenzee. Van de 17 soorten broedvogels die in alle drie Waddenzeelanden in grotere aantallen voorkomen zijn er in het Nederlandse deel maar liefst 8 die een negatieve trend vertonen. Ter vergelijking: in de Deense Waddenzee zijn de ontwikkelingen veel positiever, en is maar bij 3 soorten sprake van afnemende aantallen. Dit blijkt uit een vergelijking van aantallen broedvogels in de internationale Waddenzee die onlangs is uitgevoerd ter voorbereiding op het nieuwe trilaterale Quality Status Report en de rapportage over de laatste internationale broedvogeltelling van TMAP. Soorten die het in het Nederlandse deel van de Waddenzee slechter doen dan in Duitsland en Denemarken zijn onder andere Eider en Kluut. Ook de Scholekster neemt in de Nederlandse Waddenzee sneller af dan in Duitsland en Denemarken.
Blauwe Kiekendieven en Velduilen
In Nederlandse broeden Blauwe Kiekendieven en Velduilen vrijwel alleen nog maar in het Waddengebied. Met 29 territoria Blauwe Kiekendieven was het seizoen opnieuw slechter dan vorig jaar. Na 2004 is het bestand gehalveerd. De laatste jaren hield de soort op Texel nog redelijk stand, maar ook hier tekent zich nu een scherpe teruggang af. Ondanks de afname was het broedsucces in 2008 duidelijk beter dan in de jaren 2006-2007. De Velduil kende een verrassend goed seizoen. Op Ameland zaten tenminste 6 broedparen, opvallend omdat het eiland sinds 2004 verlaten was. Ook op Terschelling (8-9 paar) en Griend deden de Velduilen het goed. Helaas beleefde Texel (3 paar) opnieuw een mager jaar en op Schiermonnikoog (1 paar) hield het ook niet over. Maar de hervestiging op Ameland geeft een sprankje hoop voor de toekomst.
Kleine Zilverreigers en Eiders
Na het eerste broedgeval in 1999 heeft de Kleine Zilverreiger in het Waddengebied inmiddels vaste grond onder de voeten. Op Schiermonnikoog waren er in 2008 minstens 12 paren, met 10 vliegvlugge jongen. Ook Ameland is ontdekt; hier vlogen bij 3 paren 4 jongen uit.
Bij de Eider worden jaarlijks het aantal jongen geteld (dobberende creches op zee?)en dat leverde een wisselend beeld op. Ondanks een hoger aantal vrouwtjes op Vlieland werden hier weinig jongen (72) geteld. Op Schiermonnikoog zwommen ook bijna geen jonge eiders, terwijl er op Ameland ruim 300 werden gezien. Op Griend werd het record van 2005 (92 nesten bijna geëvenaad met met 90 nesten. Ook het uiteindelijke broedsucces was hier goed met één grootgebracht jong per paar.
Meeuwen en sterns
Het aantal Kokmeeuwen op Schiermonnikoog en langs de vastelandskust blijft almaar afnemen. Op Griend, daarentegen, werd met ruim 35.000 paar een nieuw record gevestigd. Ook het broedsucces leek hier goed, hoewel veel jongen een slechte conditie hadden als gevolg van regenval en lage temperaturen.
Grote Mantelmeeuwen broedden voor het eerst op Rottum en wederom op griend (van 2 naar 3 paren). De kolonie Grote Sterns op Griend nam de laatste jaren geleidelijk af, maar groeide in 2008 weer naar bijna 8300 paar. Zowel hier als in de kolonies van De Petten (Texel) en het kweldertje van Hollum (Ameland) werd door de meerderheid van de paren succesvol gebroed.
Kluten
De Nederlandse Waddenzee is één van de bolwerken voor kluten in West-Europa. Het aantal kluten in Nederland neemt echter af, met name in de Waddenzee. De sterkste afname doet zich voor langs de vastewalkust. Wat de afname van de kluut langs de Fries-Groningse Noordkust veroorzaakt is niet geheel duidelijk. Ook de laatste 5 jaar is er sprake van een dalende trend.
Grote stern
Grote sterns broeden in de Waddenzee voornamelijk op Griend, De Petten (Texel) en op de kwelder bij Hollum (Ameland). Het aantal broedende grote sterns in de Waddenzee is toegenomen sinds 1996, de laatste 5 jaar schommelt het aantal broedparen rond de 12.000.
Strandplevier
Strandplevieren blijven onder druk staan. In de hele Waddenzee broeden nog maar 25 paar strandplevieren. Bescherming van de laatste nestplaatsen en het voorkomen van verstoring door recreanten, zoals uitgevoerd in het kader van het strandbroeders-programma, is nog steeds van cruciaal belang, net als het creëren van nieuwe broedplaatsen ter compensatie van het gebrek aan dynamiek. Ook de laatste 5 jaar is er sprake van een afname van het aantal broedparen.
Aalscholver en Lepelaar blijvend in de lift
Grote groepen voedselzoekende aalscholvers en lepelaars zijn op veel plaatsen in de Waddenzee inmiddels een vertrouwd gezicht.
Aalscholvers
In tegenstelling tot de kolonies in het binnenland (bijv. rond het IJsselmeer) gaat het de aalscholvers in de Waddenzee nog steeds voor de wind. Vooral kolonies op Texel en Terschelling namen in 2007 verder in aantal toe. Een nieuwe kolonie vestigde zich op een eiland in het Lauwersmeer. Deze vogels zoeken hun voedsel deels in het Lauwersmeer zelf, maar pendelen ook naar de Waddenzee om te vissen. Daar staat tegenover dat de kolonie op het eiland 'De Hond' in de Eems bijna halveerde.
Lepelaars
Bij de lepelaar nam de totale populatie ten opzichte van 2006 met meer dan 5% toe. Grote veranderingen waren vooral zichtbaar in de kolonies op Texel (sterke afname in De Geul) en verdere groei van nieuwe kolonies op het Balgzand en bij Den Oever (Kooyhoekschor en havendam Den Oever). Ook in de Duitse, en recent ook Deense Waddenzee blijven lepelaars het goed doen. Door waarnemingen van individueel herkenbare vogels (kleurringen) is te zien dat het hier deels om vogels gaat die van Nederlandse kolonies afkomstig zijn.
Kleine zilverreiger
De kleine zilverreiger is een vaste broedvogel in het Nederlandse Waddengebied geworden. In Duitsland werd in 2007 reeds één broedpaar gevonden op het vogeleiland Memmert, met de Nederlandse uitbreiding ligt een verdere toename in de Duitse Waddenzee in het verschiet.
Sterke mobiliteit bij sterns en visdieven
Een aantal broedvogels in de Waddenzee houdt er weinig vaste gewoontes op na. Komt ergens een geschikt broedgebied beschikbaar, of is plaatselijk sprake van een gunstige voedselsituatie, dan kan zich in korte tijd een kolonie vestigen. Vooral sterns staan bekend om hun dynamische vestigingsgedrag.
Visdieven
Het aantal visdieven op de kwelders langs het vasteland lijkt sterk in verband te staan met de aantallen op de eilanden.Een slecht jaar op de ene plek betekent vaak een goed jaar op de andere plek. Op dit moment lijken veel visdieven in de westelijke Waddenzee zich te verplaatsen naar het nieuw aangelegde eiland 'De Kreupel' in het IJsselmeer.
Grote stern
Een sterke afname vond in 2007 ook plaats bij de grote sterns plaats op Griend. Tegelijk nam de (nieuwe) kolonie op de kwelder van Vogelpolle (Hollum) op Ameland sterk toe, tot 5000 paar. Helaas spoelden veel nesten weg bij de storm op 26 juni. Deze storm zorgde overigens in het hele internationale Waddengebied voor grote problemen. In de Elbemonding in Sleeswijk-Holstein verdween de enige kolonie Lachsterns in de Waddenzee in de golven.
Aalscholver en lepelaar stabiel, dwergstern herstelt
De populatie aalscholvers, die tot en met 2005 jaarlijks met 36% groeide, nam van 2005 op 2006 voor het eerst licht af (-1%). Dit kan erop duiden dat de mogelijkheden voor verdere groei uitgeput zijn. De lepelaar nam weliswaar nog toe (+5%), maar niet meer zo sterk als in voorgaande jaren (1990-2005 jaarlijks gemiddeld 12%). Eventuele uitwisseling met de Duitse Waddenzee, waar lepelaars in toenemende mate nestelen, kan door het lopende internationale ringprogramma worden aangetoond. De kwetsbare dwergstern herstelde in 2006 van de inzinking in het voorgaande jaar (lage aantallen, gering broedsucces) en bereikte weer een normaal niveau.
Zuidelijke soorten in opmars, roofvogels in de min
De kleine zilverreiger is inmiddels een vaste broedvogel in de Waddenzee (13 paren in 2006). Dit past binnen de uitbreiding vanuit Frankrijk. In Nederland (ruim 100 paren) ligt het accent voorlopig op het zuidwesten. Eenzelfde verdeling vinden we bij de zwartkopmeeuw. De vestiging van 15 paren bij Balgzand in 2006 en de toename in de Elbe-monding in Duitsland geeft echter aan dat het schaarse voorkomen in de Waddenzee aan het veranderen is.
Blauwe kiekendief en velduil, in ons land vrijwel beperkt tot het Waddengebied, doen het slecht. De blauwe kiekendief neemt al een tiental jaren met 10%/jaar af. Speciaal onderzoek, uitgevoerd sinds 2004 door SOVON in opdracht van Vogelbescherming, toont aan dat de situatie het slechtst is op Ameland (weinig eieren, weinig jongen uitvliegend, conditie bovendien matig) en het minst ongunstig op Texel en Schiermonnikoog, waar de aantallen ook beter standhouden. De hoeveelheid beschikbare prooien lijkt belangrijker te zijn voor het broedsucces dan hun samenstelling. Onbegraasde duinvegetaties blijken belangrijke jaaggebieden te zijn, terwijl ook rust rond de broedplaatsen essentieel is. Het in 2005 opgestarte kleurringprogramma moet uitwijzen in hoeverre de populatie op zichzelf staat.
Voor velduilen was het jaar 2006 uitermate slecht. Met uitzondering van Texel en Terschelling (ieder 4 paren) werden alleen verspreide paren gevonden. De enige broedplaats op het vasteland, in de Eemshaven, zal verdwijnen door het bouwrijp maken van industrieterrein.
Broedsucces 2006
Vanaf 2005 wordt door SOVON en Wageningen-IMARES met gelden van LNV-Noord het broedsucces van kustbroedvogels in de Waddenzee gemonitoord. In combinatie met trendgegevens levert dit Reproductiemeetnet Waddenzee jaarlijks een goed beeld van de staat van instandhouding van o.a. eider, scholekster, kluut, kokmeeuw, zilvermeeuw en visdief.
Het broedseizoen 2006 leek in eerste instantie zeer mager te worden door lage temperaturen, harde wind, veel neerslag en hoge vloedstanden eind mei. Dankzij beter weer in juni-juli pakte het broedseizoen alsnog redelijk uit voor de meeste soorten. Zo brachten scholeksters op Schiermonnikoog 0,2 jongen per paar groot. Dit is het beste broedsucces sinds 1997, maar vermoedelijk nog steeds onvoldoende om de populatie te handhaven. Bij de kluten in het Noorderleeg (Friesland-buitendijks), een belangrijk broedgebied, kwamen veel eieren uit maar werden weinig jongen vliegvlug, vermoedelijk door het opdrogen van kwelderslik (droogte!). Goed nieuws is dat alle nieuwe vestigingen van grote sterns redelijk tot goed produceerden.
Stabiele trends domineren, kritische soorten nemen af
Bij de meeste soorten deden zich in 2005 weinig grote veranderingen voor in de grootte van de broedpopulatie. Ook soorten die eerder afnamen, zoals zilvermeeuw en velduil, bleven in 2005 op peil. Daar staat tegenover dat een aantal kenmerkende en kritische waddensoorten in 2005 onverminderd een afname lieten zien. Van de blauwe kiekendief is nog maar een fractie over van de populatie in de jaren negentig; in 2005 liep het aantal opnieuw met een kwart terug ten opzichte van 2004. Om meer inzicht te krijgen in de achtergronden van deze afname is op Texel, Vlieland en Ameland speciaal onderzoek gestart, waarvoor onder andere individuele vogels met kleurringen worden gemerkt.
Strandbroeders onder druk
Bontbekplevier en strandplevier blijven eveneens onder druk staan. In de hele Waddenzee broeden nog maar 25 paar strandplevieren. Bescherming van de laatste nestplaatsen en het voorkomen van verstoring door recreanten, zoals uitgevoerd in het kader van het strandbroeders-programma, is dan ook nog steeds van cruciaal belang, net als het creëren van nieuwe broedplaatsen ter compensatie van het gebrek aan dynamiek.
Afname kokmeeuwen
Opvallend was in 2005 verder een afname van de kokmeeuw. Aanvankelijk was de teruggang in aantallen op de kwelders van Friesland en Groningen in eerdere jaren gecompenseerd door verplaatsing van kolonies van het vasteland naar de eilanden. De broedresultaten van kokmeeuwen zijn echter al jaren beneden de maat. Waarschijnlijk vindt daardoor nu ook een afname plaats van het aantal broedparen.
Lepelaar exporteert succes
Eén van de meest opvallende en succesvolle broedvogels in de Waddenzee is de lepelaar. Ooit het wapen van Vogelbescherming Nederland, genieten lepelaars veel aanzien in kringen van natuurbeheerders. Bijna tweederde van alle Nederlandse lepelaars broedt in de Waddenzee en vrijwel alle eilanden zijn inmiddels bezet geraakt. Voedselzoekende lepelaars op het wad en de kwelder of in poldersloten zijn niet ongewoon. Langs het vasteland blijft broeden vooralsnog beperkt tot het Balgzand. Onderzoek van Otto Overdijk van Natuurmonumenten heeft laten zien dat de broedresultaten in de meeste jaren goed zijn, zo goed zelfs dat vanuit het Nederlandse Waddengebied ook de Duitse en Deense Waddenzee worden gekoloniseerd. Grootste probleem voor lepelaars vormen stormvloeden in mei en juni, die legsels wegspoelen of jonge kuikens doen verdrinken. Een grotere kans op stormen en nat weer, zoals voorspeld in scenario's voor klimaatveranderingen, zouden op termijn de populatie lepelaars (en veel andere soorten) dus kunnen raken.
Visdief succesvol op industrieterrein
Lang niet alle broedvogels in de Waddenzee broeden in natuurterreinen. Soorten die schaars begroeide nestplaatsen prefereren verschijnen soms ook op industrieterreinen en in havens. Het industrieterrein en de haven van Delfzijl herbergen al een decennia lang een populatie visdieven. Reconstructiewerkzaamheden aan de havendam en predatie op het industrieterrein deden de kolonie steeds weer verplaatsen. Een nieuw opslagterrein van de firma Wagenborg in de haven zorgde recent echter voor een nieuwe vestigingsmogelijkheid. Aanvankelijk veranderden de aantallen maar weinig, maar in 2005 groeide de kolonie in sneltreinvaart naar ruim 900 broedparen en was daarmee één van de grootste kolonies in het Waddengebied. Daarnaast vestigden zich ook nog eens 159 paar Noordse Sterns, eveneens een bijzonder aantal voor een locatie op de vastewal. Helaas viel het terrein in 2006 ten prooi aan bedrijfsuitbreiding en werden de nieuwe vestigingsmogelijkheden teniet gedaan. Momenteel wordt nagedacht over het aanbieden van een nieuwe nestlocatie.
Broedvogelpopulaties in 2004In 2004 vonden bij de meeste soorten slechts geringe veranderingen plaats vonden ten opzichte van 2003. De drie meeuwensoorten kokmeeuw, kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw blijven het grootste aandeel van de aanwezige broedvogelpopulaties vormen. Alle drie lieten ze een vergelijkbaar niveau zien als in 2003, terwijl over de voorgaande jaren gerekend kok- en kleine mantelmeeuw nog in aantal groeiden en de zilvermeeuw afnam. Ook de aalscholver lijkt na jarenlange groei in aantal te stabiliseren. Mogelijk is bij deze soort het aantal vestigingsmogelijkheden nu beperkend aan het worden. Aalscholvers broeden bij voorkeur op plaatsen waar weinig verstoring plaatsvindt en visrijke wateren in de buurt zijn.De meest opvallende afnamen deden zich voor bij kluut, visdief en noordse stern. Kluten vertonen al jarenlang een sterke afname langs een groot deel van de vastelandskusten van Groningen en Friesland (Link Populatieafname bij de kluut). De beide sterns nemen recent af. Welke oorzaken deze afname veroorzaken is vooralsnog onduidelijk.
De lepelaar blijft onverminderd een positieve trend vertonen. Inmiddels broedt ruim 60% van alle Nederlandse lepelaars rond de Waddenzee. Grote kolonies zijn vooral te vinden op Texel, Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog. Uit aflezingen van individueel geringde lepelaars komt naar voren dat de Nederlandse Waddenzee lepelaars 'exporteert' naar de Duitse Waddenzee (O. Overdijk, Natuurmonumenten), waar inmiddels tientallen paren tot broeden komen.
Kluten nemen af in 2004
De Nederlandse Waddenzee is één van de bolwerken voor kluten in West-Europa. Recent neemt het aantal kluten in Nederland echter af, met name in de Waddenzee. De sterkste afname doet zich voor langs de vastewalkust, zoals in de provincie Groningen. Langs de Noordkust van Groningen, tussen Lauwersmeer en Eemshaven, broedde in 2004 nog maar 16% van de populatie in 1987. De afname zette in vanaf 2000. Een vrijwel vergelijkbare trend wordt ook langs de Friese Noordkust gevonden. Aan de Dollard daarentegen, nam de populatie in 1999-2000 sterk toe, waarschijnlijk door instroom van kluten uit het aangrenzende Duitse deel van de Dollard. Bovendien bleef de in 2001 nieuw ingerichte Polder Breebaart grote aantallen kluten naar de Dollard trekken. Een vergelijking van trends langs de Groninger Noordkust en Dollard laat echter zien dat beide ontwikkelingen grotendeels op zichzelf staan (er is geen sprake van verplaatsingen). Wat de afname van de kluut langs de Fries-Groningse Noordkust veroorzaakt is niet geheel duidelijk.
Aantal Broedvogels stabiel
Vergeleken met 2002 deden zich in 2003 bij de meeste broedvogels weinig grote veranderingen voor. Namen de aalscholver en de lepelaar, twee relatieve nieuwkomers in het Waddengebied, de laatste jaren nog toe, nu lijken de grenzen van de groei te zijn bereikt. De lepelaar nam zelfs licht af. Wel is inmiddels duidelijk dat lepelaars vanuit de Waddenzee inmiddels ook het Duitse Waddengebied en Denemarken hebben gekoloniseerd.De zeldzame kleine zilverreiger en de zwartkopmeeuw, twee soorten die eveneens vanuit het zuiden oprukken, duiken steeds vaker op in de Waddenzee. In 2003 werden ze mondjesmaat broedend aangetroffen.
Strandbroeders minder verstoord
Vogels die broeden op het strand, zoals de bontbekplevier en de strandplevier, behoren al jaren tot de dalers. De strandplevier is inmiddels vrijwel uitgestorven in ons land. Beide soorten nemen ook in het Duitse en Deense Waddengebied steeds verder af.
Boosdoeners zijn veelal de recreanten, die - vaak onbedoeld - op het strand de legsels en de jongen verstoren. Een speciale werkgroep, met vertegenwoordigers van alle waddeneilanden, het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en vogelexperts, gaat de verstoring momenteel tegen. Ze signaleert knelpunten en coördineert maatregelen om de broedplaatsen te beschermen.
Plevieren en dwergsterns kampen ook met natuurlijke tegenslagen, zoals hoge stormvloeden die hun nesten wegspoelen. In juni 2003 gebeurde dat bijvoorbeeld op Texel en Vlieland. Dezelfde stormvloed leidde ook tot verliezen onder lepelaars op Texel en Schiermonnikoog. Dit probleem zal in de toekomst door de stijgende zeespiegel en een toename van het aantal stormdagen alleen maar groter worden. Bescherming van de bestaande en de potentiële broedgebieden is daarom belangrijk om een gezonde populatie strandbroeders in stand te houden.
Broedende vogels mijden kwelders in 2003
De groei van het aantal kluten in Polder Breebaart staat in schril contrast met de afname in de rest van de Waddenzee. Vooral op de Groningse en Friese kwelders langs de zeedijk komen kluten, maar ook kokmeeuwen en visdieven, steeds minder tot broeden. Dit komt door oprukkende begroeiing en door onder meer vossen. De populatie als geheel neemt niet af, omdat de vogels verhuizen naar de eilanden, waar geen vossen voorkomen.
Vooral Griend neemt een bijzondere positie in. Dit eiland herbergt de grootste waddenkolonies kokmeeuwen en grote sterns. Het is belangrijk dat eilanden vrij van roofdieren blijven. Zelfs schijnbaar onschuldige dieren als egels kunnen vogelkolonies in korte tijd decimeren.
Enorme klutenkolonie in Polder Breebaart in 2003
Spectaculair in 2003 was de kolonie van meer dan 800 klutenparen in Polder Breebaart. Dit gebied achter de zeedijk staat sinds 2001 via een buis door de dijk rechtstreeks in verbinding met de Waddenzee. Eb en vloed keerde terug, en daarmee talloze bodemdieren en grote aantallen vogels. De kolonie kluten was zelfs de grootste van de gehele internationale Waddenzee. Sommige vogels kwamen helemaal uit Zuid-Spanje, Frankrijk en Sleeswijk-Holstein.
Scholekster, eidereend en rosse grutto in de Waddenzee
De aantallen scholeksters vertonen de afgelopen jaren een daling, ook de laatste 5 jaar is er sprake van een afname. De aantallen eidereenden zijn variabel, de trends zijn niet significant. Bij rosse grutto is een toename waar te nemen, ook de laatste 5 jaar zet deze trend door.
De aantallen in januari geteld:
Van de Rosse Grutto komen in de Waddenzee twee ondersoorten voor: Limosa taimyrensis en Limosa lapponica . De lapponica ondersoort (125.000 dieren) broedt in Noord-Scandinavië en brengt de winter door in West-Europa. De andere ondersoort, taimyrensis (700.000 dieren), broedt in Siberië en overwintert in de West-Afrikaanse getijdengebieden.
Viseters doen het goed, maar Aalscholver achteruit
Reigers
Vooral reigers waren talrijk aan het eind van de zomer en begin van de trektijd in het waddengebied. Reigers profiteren vooral van kleine vis en garnalen in de slenken en langs de randen van de geulen. De Kleine Zilverreiger is kenmerkend voor zoute getijdengebieden.en in het waddengebied een relatieve nieuwkomer. De aantallen namen verder toe, in september 2007 werden er meer dan 100 exemplaren vastgesteld Hoewel minder specifiek voor het zoute getijdenmilieu weten ook Blauwe Reigers het Waddengebied te benutten. In september 2007 werden meer dan 350 exemplaren geteld. Terwijl de Grote Zilverreiger in Nederland al een vaste verschijning is met meer dan 1000 exemplaren was dat in het Waddengebied nog nauwelijks het geval. Maar daar begint verandering in te komen met de aanwezigheid van 40 van deze grote witte reigers in 2008 in het waddengebied.
Lepelaars en futen
Lepelaars doen het erg goed in de Waddenzee, er is een bloeiende broedpopulatie (1290 broedparen in 2008)en in de nazomer wordt het gebied benut als pleisterplaats (bijna 1800 exemplaren in juli 2007) voordat ze naar Zuid-Europa en West-Afrika vertrekken om te overwinteren. Ook bij de fuutachtigen, ook consumenten van kleinere vis, werden in het afgelopen seizoen grotere aantallen vastgesteld.
Aalscholvers
Aalscholvers hebben de naam alsmaar toe te nemen maar dat is in de Waddenzee al een paar jaar niet meer het geval. De aanvankelijk flinke stijging is omgebogen in een afname die al vier seizoenen aanhoudt. Terwijl eerder genoemde viseters het allemaal van kleine exemplaren moet hebben, is de Aalscholver aangewezen op grotere vis. Tegenwoordig zie je de meeste Aalscholvers naar de Noordzee vliegen om te gaan foerageren.
Ganzen en eenden wisselen stuivertje
Er werden maar 65.000 Brandganzen geteld in januari 2008, wat beduidend lager is dan het gemiddelde van ruim 90.000 exemplaren in de jaren daarvoor. Ze leken later te arriveren (minder hoge aantallen in november) en ook in het voorjaar al wat eerder te zijn vertrokken (minder pleisteraars in mei). Het seizoen 2007/08 week daarmee duidelijk af van de eerder waargenomen trend tot een vroegere aankomst en een later vertrek. De Rotgans daarentegen werd juist in hogere aantallen vastgesteld. Met ruim 90.000 exemplaren in mei (bijna de helft van de totale populatie) maakte de Nederlandse Waddenzee zijn reputatie als belangrijk opvetgebied in het voorjaar meer dan waar. Bij de zwemeenden vielen de aantallen van de meeste soorten flink tegen. De maximale aantallen Smienten, Wintertalingen en Wilde Eenden halveerden ten opzichte van de voorgaande seizoenen. Nu zal het stormachtige telweer in november niet hebben bijgedragen aan een goede telling, maar dit zal het gehele verschil niet verklaren. Met name Smient en Wintertaling zijn al een tijdje op hun retour. Deze soorten zijn afhankelijk van korte grazige vegetaties en pionierplanten en een relatie met de beschikbaarheid van geschikte foerageeromstandigheden ligt voor de hand. Van de schelpdieretende eenden werden bij de Eider met 88.000 exemplaren in januari 2008 een vergelijkbaar aantal geteld als de jaren daarvoor. Van de Topper werden weer behoorlijk aantallen gezien met 31.000 vogels in januari 2008. In de vijf jaren daarvoor kwam dit aantal gemiddeld niet hoger dan 9.000 exemplaren.
Scholekster steeds verder onderuit, Rosse Grutto versnelde toename
De meeste steltlopers werden in vergelijkbare aantallen vastgesteld als in voorgaande jaren. Dit gold voor Kluten, Bontbekplevieren, Zilverplevieren, Drieteenstrandlopers, Bonte Strandlopers en Steenlopers. Van de Kanoet werden 15.000 exemplaren minder geteld. Wel een behoorlijk aantal maar de vastgestelde 68.000 exemplaren betekenen een daling ten opzichte van de getelde aantallen rond 2000. De aanvankelijk afnemende trend voor de kanoet is omgebogen in een stabiele aantalsontwikkeling. De Scholekster blijft het zorgenkindje onder de steltlopers in de Waddenzee. De aantallen gingen in seizoen 2007/08 verder onderuit. Er is nog geen enkel teken van herstel of stabilisatie en de afname wordt ook in de Zeeuwse Delta waargenomen. Meerdere oorzaken als schelpdiervisserij, erosie van wadplaten, verslechterende broedomstandigheden in agrarisch gebied en overstromingsrisico?s van kwelders lijken gezamenlijk verantwoordelijk. Een soort die ook afneemt is de Zwarte Ruiter. In juli 2001 werden nog ruim 5.000 exemplaren geteld, in juli 2007 waren daar nog maar 3.000 exemplaren van over. De soort is altijd al schaars geweest maar nu neemt deze steltloper, die vooral talrijk was in de Dollard en Balgzand, flink in aantal af. Daar staan toenemende aantallen bij de Wulp en Rosse Grutto tegenover. Bij de Wulp is die toename vooral in de herfst geconstateerd. In september werden 10.000 exemplaren meer geteld dan gemiddeld in de vijf jaren daarvoor. Bij de Rosse Grutto ging het zelfs om een stijging van 140.000 exemplaren naar 180.000 exemplaren in mei.
2006/2007 (juli-juni)
Wisselende ontwikkelingen bij steltlopers
Kanoeten
Na jaren van kleine aantallen werden er vooral in september weer behoorlijke aantallen kanoeten vastgesteld. Of dit echt een positieve kentering in de ontwikkeling van de totale populatie betekent, of dat er eerder sprake is van verschuivingen tussen West-Europese wadgebieden, of bijv. stagnerende doortrek naar Afrika, moet nader worden uitgezocht.
Steenlopers
Steenlopers zijn de laatste jaren in de Oostelijke Waddenzee flink toegenomen, waarschijnlijk profiterend van terugkerende schelpdierbanken. De langjarige negatieve trend is daardoor omgebogen naar een positieve ontwikkeling in de recente jaren.
Van rosse grutto, zilverplevier, drieteenstrandloper en bonte strandloper werden in 2007 opnieuw grotere aantallen dan voorheen vastgesteld. Dit bevestigt het beeld van de laatste jaren dat het vooral de wormeneters voor de wind gaat. Een uitzondering is de bontbekplevier, waarvan in 2007 beneden-gemiddelde aantallen werden geteld. Samen met Duitse en Deense collega's zal in 2008 nader onderzoek plaatsvinden naar de achtergronden van de contrasterende trends bij wormeneters enerzijds en schelpdiereters anderzijds (en de verschillen in ontwikkelingen binnen de Waddenzee zelf).
Zwarte ruiter
Opvallend lagere aantallen werden in 2006/07 ook vastgesteld bij de zwarte ruiter. Bij deze soort, die vooral van kleine vis en garnalen leeft, is er in de afgelopen tien jaar sprake van een neergaande trend. Scholekster
De aantallen van de scholekster waren in 2007 nog weer lager dan voorheen. Ondanks voorzichtig herstel van schelpdierbestanden in de Waddenzee, is een herstel van de populatie bij deze soort nog niet in zicht.
Strandplevier
Strandplevieren komen griezelig dicht bij lokaal uitsterven. Samengaand met de sterke achteruitgang van de broedpopulatie is de soort als doortrekker erg zeldzaam geworden.
Eenden in 2007 in lagere aantallen aanwezig
Van de van schelpdieren afhankelijke eendensoorten waren eiders met ruim 80.000 exemplaren niet buitengewoon talrijk, maar ook niet verder afgenomen ten opzichte van voorgaande jaren. Dit was wel het geval bij toppers, die het naast de driehoeksmosselen in het IJsselmeergebied moeten hebben van sublitorale mosselen in de westelijke Waddenzee. Ook zwarte zee-eenden waren in zeer kleine aantallen aanwezig, waarbij de populatie in de Waddenzee zelf nog niet zo?n grote rol speelt, maar vooral de aantallen in de aangrenzende Noordzee dramatische achteruit zijn gegaan. Eenden die veelal plantaardig voedsel eten op kwelders, zomerpolders en ook binnendijks, zoals smienten, wintertalingen, wilde eenden en pijlstaarten waren in 2007 in lage aantallen aanwezig ten opzichte van voorgaande jaren. Bergeenden waren in 2007 minder talrijk dan in de vijf jaren daarvoor. Het volgen van de aantalontwikkeling van deze soort is de laatste jaren overigens lastiger geworden door de opkomst van een ruipopulatie in de Nederlandse Waddenzee. Het gaat om vogels die op het wad ten oosten van Griend hun vleugelveren ruien, en vanaf het vasteland moeilijk te tellen zijn. Vanouds trokken alle bergeenden in juni-augustus naar de Elbemonding in de Duitse Waddenzee om hun verenpak te vernieuwen. Door een toegenomen aanbod van slijkgarnaaltjes blijft een groeiend aantal vogels nu in onze eigen Waddenzee. Gedurende de rui kunnen de vogels enkele weken niet vliegen, en zijn dus aangewezen op voldoende rust op het wad.
Ganzen
De sterkste groei bij de ganzen in de Waddenzee lijkt voorbij. Van de grauwe gans werden vergelijkbare aantallen geteld als in 2006, terwijl de brandgans nog licht groeide ten opzichte van het vorige seizoen. De sterkste groei bij de brandgans vindt vooral plaats op pleisterplaatsen buiten de Waddenzee, bijv. in Friesland.
Rotgans
Meestal worden begin mei de grootste aantallen rotganzen in het Waddengebied geteld, in het voorjaar 2007 was dit in april. Net zo als in 2006 waren de aantallen in 2007 voor de rotgans relatief hoog, ondanks het feit dat het broedseizoen in Siberië in 2006 veel minder gunstig verliep dan in 2005. Niettemin heeft het goede broedjaar 2005 de populatie een sterke impuls gegeven, wat ook de grotere aantallen in 2006/07 verklaart.
Kleine Zilverreigers in de plus, kwelderzangers in de min
Nadat het Deltagebied de laatste jaren in het najaar steeds belangrijker als pleisterplaats voor kleine zilverreigers is geworden, begint dit fenomeen zich ook steeds duidelijker in de Waddenzee af te tekenen. Terwijl grote zilverreigers het vooral goed doen in de binnenlandse zoete wateren en in graslandgebieden, zijn kleine zilverreigers vooral te vinden in de zoute kustgebieden. In september werden er ruim 100 in de Nederlandse Waddenzee geteld. Kwelderzangers waren uitgesproken schaars in 2007. Van frater, sneeuwgors en strandleeuwerik waren de aantallen veel lager dan in de jaren daarvoor.
2005/2006 (juli-juni)
Verontrustende afnames
Grote aantallen toppers worden incidenteel nog steeds vastgesteld in de Waddenzee (zoals januari 2006: 26.000), maar zijn veel minder gebruikelijk dan enkele decennia eerder. Het ontbreken van ijswinters (resulterend in een influx op de Waddenzee) en voedselproblemen (afname onderwatermosselen in westelijke delen Waddenzee) spelen hierbij een rol. Voedselproblemen zijn ook van belang bij de aanhoudende afname van eiders, waarvoor de westelijke Waddenzee de belangrijkste overwinteringsplek is. Schaarste aan onderwatermosselen leidde afgelopen jaren enkele malen tot massale sterfte en/of verplaatsingen naar de Noordzee. De aantallen zwarte zee-eenden nemen weliswaar toe in de Waddenzee (van 272 naar 1250 in januari 2004-06), maar dit staat in geen verhouding tot de afname in veel belangrijker gebieden (Noordzee benoorden Waddeneilanden). Deze afname is eveneens gerelateerd aan voedselproblemen (verdwijnen van halfgeknotte strandschelpen). Ook de achteruitgang van scholeksters is nog niet gestopt; de huidige aantallen liggen 40% lager dan in de jaren tachtig.
Goed rotganzenseizoen
Door verminderd broedsucces is de wereldpopulatie rotganzen sterk gedaald. Broedseizoen 2005 leverde echter veel jongen op, waardoor de landelijke voorjaarsaantallen in ons land voor het eerst in meer dan tien jaar weer (net) boven 100.000 uitkwamen (40% eerstejaars). Het leeuwendeel van deze vogels bevond zich in het Waddengebied.
Verschillen binnen Nederlandse Waddenzee
De verspreiding van wadvogels over de Nederlandse Waddenzee is niet egaal. Soorten die zacht slik prefereren, zoals kluut, zilverplevier en zwarte ruiter, zijn vooral in het oostelijk deel te vinden, soorten van zandige platen als kanoet en rosse grutto in het westelijk. Ook trendmatig bestaan er opvallende verschillen. Van de zeven soorten waarvoor het westelijk deel sinds de jaren zeventig relatief belangrijker geworden is, zijn er vijf wormeneters (rosse grutto, tureluur, bonte strandloper, zilverplevier, kluut). Beide soorten die juist een verschuiving naar het oostelijk deel te zien gaven (kanoet, steenloper), zijn schelpdiereneters. Dit weerspiegelt het verlies van mosselbanken in het westen en het recente herstel dat vooralsnog tot het oosten beperkt blijft. Dat de scholekster deze trend niet volgt, is momenteel onverklaarbaar.
2004/2005 (juni-juli)
Nog steeds afname schelpdiereters
De eerder gesignaleerde afname van schelpdiereters (scholekster, kanoet en zilvermeeuw) bleef in 2004/05 onveranderd. Over de laatste tien jaar laten bovengenoemde soorten nog steeds een significante afname zien. Bij eider variëren de aantallen in deze periode nogal en is statistisch gezien geen sprake van een duidelijke trend. Wel blijkt uit ander onderzoek dat de voedselsituatie voor eiders onverminderd zorgelijk blijft door de blijvend geringe beschikbaarheid van met name sublitorale mosselen en ook de opkomst van de japanse oester op (voormalige) droogvallende mosselbanken. Alternatieve voedselbronnen, zoals strandschelpen op de Noordzee zijn bovendien grotendeels verdwenen en in tegenstelling tot eerdere seizoenen werden dan ook nog amper eiders op de Noordzee gesignaleerd. De voorheen in belangrijke aantallen voorkomende toppers ten noorden van de Afsluitdijk lieten in 2004/05 vrijwel verstek gaan, wat ook met de lage beschikbaarheid van sublitorale mossels zal samenhangen.
Bereiken wormeneters evenwicht?
In de afgelopen jaren beleefden wormenetende steltlopers goede tijden in de Waddenzee. Deze positieve aantalsontwikkelingen bleven ook in 2004/05 onverminderd van kracht, zij het dat de aantallen in 2004/05 voor sommige van deze soorten niet heel groot waren. Bij de rosse grutto waren vooral de aantallen in de wintermaanden kleiner en bij de bonte strandloper de concentraties tijdens de najaarstrek. Mogelijk dat de grootste groei er bij de wormeneters uit begint te raken en er een nieuw evenwicht is bereikt in relatie tot de voedselbeschikbaarheid. Daar staat tegenover dat de drieteenstrandloper onverminderd verder toenam in 2004/05. In september werden liefst 13.000 drieteenstrandlopers in de Waddenzee geteld; aantallen die voorheen ondenkbaar waren.
Planteneters
Bij de planteneters is met name de afname van de smient opmerkelijk. Terwijl de trend van deze soort landelijk al een tijdje stabiel is, blijkt in de Waddenzee nu sprake van structureel afnemende aantallen, een ontwikkeling die wellicht in verband staat met veranderingen in vegetatie op de kwelders en in de landaanwinningswerken. De aantallen rotganzen en brandganzen zijn vergelijkbaar met voorgaande seizoenen. Brandganzen verblijven steeds vaker in grote concentraties in de polders van Friesland en elders in het binnenland. In de wintermaanden vormt het intensief gebruikte boerenland daar een veel aantrekkelijker voedselbron dan de vegetatie op de kwelders. Vooral in het vroege najaar en vanaf maart vinden we veel ganzen op de kwelders en direct binnendijks gelegen graslanden.
Kwelderzangers en roofvogels
Naast watervogels worden tijdens de hoogwatertellingen ook een aantal wadden-specifieke zangvogels en roofvogels meegeteld. In 2004/05 werden grote aantallen van strandleeuwerik (1400 in januari) geteld, maar vooral de influx van ruim 4700 sneeuwgorzen in november was erg opvallend. In januari werden 65 blauwe kiekendieven, 16 ruigpootbuizerds en 57 slechtvalken als overwinteraars aangetroffen. De Waddenzee is daarmee ook een belangrijk roofvogelgebied, wat niet verwonderlijk is gezien de grote aantallen potentiële prooien. Wie het gedrag van steltlopers op een hoogwatervluchtplaats wel eens nader heeft bekeken, zal hebben gemerkt dat het overtijen op een kluitje de vogels redelijk goed beschermd tegen aanvallen van bijv. een slechtvalk. Is een vogel eenmaal uit de groep geraakt vormt hij echter een makkelijke prooi.
2003
Een viertal soorten maakte in 2003 slechte tijden door: de eidereend, de scholekster, de kanoetstrandloper en de zilvermeeuw. Al deze soorten zaten in een neerwaartse spiraal.
De eidereenden kropen in 2003 enigszins uit het dal, maar bleven nog ver onder het niveau van rond 1995. De scholekster en de zilvermeeuw herstelden zich niet. Hun aantal bleef stabiel op een laag niveau. De kanoetstrandloper nam in aantal af. Vooral in de westelijke Waddenzee, in het gebied rond Griend, werd de spreekwoordelijke 'muur kanoeten' steeds dunner. Andere groepen in de oostelijke Waddenzee compenseerden deze afname niet. Tellingen in andere landen, zoals Groot-Brittannië, wezen ook op een dalende trend, zodat het voortbestaan van de kanoetstrandloper, en dan met name de vorm islandica die broedt op Groenland en in Noordoost-Canada, in gevaar komt.
In de EVA II-studie wordt de afname geweten aan de volgende factoren:
2009
Het maximale aantal getelde gewone zeehonden in Nederland bedroeg in 2009 6339 dieren. In de gehele Waddenzee werden in totaal 21.571 gewone zeehonden geteld. De groei sinds vorig jaar bedraagt 6,5%, hetgeen minder is dan in vorige jaren. Het is echter te vroeg om aan te nemen dat hiermee de populatie haar maximum bijna heeft bereikt. Temeer omdat het aantal pups niet terugloopt. Er werden in 2009 in de gehele Waddenzee 5.146 pups geteld (1249 in Nederland). Dat is 11% meer dan in 2008. Het percentage pups ten opzichte van het totale aantal is daarmee 23,9%.
2008
De Gewone Zeehonden in de Waddenzee zijn in 2008 geheel hersteld van de virusepidemie uit 2002. Het totaal aantal getelde dieren is ruim 40% meer dan in 2007. Daarbij dient echter meteen een kanttekening worden geplaatst. In 2007 werd de telling in ongunstige weersomstandigheden gehouden waardoor de aantallen zeer laag uitkwamen, en maar 2% groei gevonden werd ten opzichte van 2006. Na de telling in 2008 is de gemiddelde groei in Nederland sinds de 2002-virusepidemie 21%. Dit gemiddelde komt overeen met de verwachtingen.
2006
Populatie gewone zeehond blijft groeien
In 2006 bleek uit de tellingen van de gewone zeehond in augustus dat het herstel na de epidemie van 2002 zich duidelijk voortzet. Het maximum getelde aantal dieren was 4065. Vergeleken met 2005 is dat een groei van ruim 18 procent. De verwachting is dat de populatie volgend jaar op het niveau van vlak voor de epidemie zal uitkomen.
Maximum aantal jongen mogelijk onderschat
Een bijzonderheid is dat het maximum aantal getelde jongen in het geboorteseizoen (juni-juli) 850 bedroeg. Dat is iets lager dan in 2005. Intrigerend, omdat de totale populatie opnieuw sterk is toegenomen. Een vrijwel gelijkblijvende productie van jongen kan duiden op veranderingen in de populatie of een niet correcte telling. Er zijn verschillende aanwijzingen dat het geboorteseizoen zeker een week later is begonnen en dat de piek in het aantal jongen tussen twee tellingen in heeft gelegen. Mede gezien de groei van de populatie lijkt het meer waarschijnlijk dat het aantal jongen dit jaar is onderschat dan dat er verandering in de interne dynamica is opgetreden. Tellingen in het komende jaar zullen daarover duidelijkheid verschaffen. Maar ondanks die mogelijke onderschatting is het geboortepercentage (maximum aantal getelde jongen per maximum getelde totaal aantallen) met 21% goed te noemen.
2005
De gewone zeehond doet het goed in 2005
Bij de vliegtellingen in 2005 werden in augustus maximaal 3443 dieren geteld. Ongeveer 30% van de dieren komt bij laagwater niet op de zandbanken en daarom werd de totale populatie op circa 5000 dieren geschat.
Groei van de polulatie
Tijdens de geboorteperiode, juni-juli, was het maximum aantal getelde jongen 891 en daarmee kwam het geboortepercentage (maximum aantal getelde jongen / maximum getelde totaal aantal) op 25.9%. Dat is erg hoog want meestal is dat voor deze soort ongeveer 20%. Wanneer we naar de gemiddelde populatiegroei sinds de virusepidemie kijken, dan bedraagt die 22.8%. Dat is eveneens hoog vergeleken met de al sterke groei van 16% van de jaren voor de virusuitbraak.
Voorspoedig herstel ook internationaal
De getallen tonen dat de overlevende dieren in de populatie de virusziekte in het algemeen goed doorstaan hebben en een uitstekend herstelvermogen bezitten. De conditie van de dieren is kennelijk uitstekend en er werden veel jongen geboren. Met het huidige tempo van de groei zal binnen twee jaar het aantal zeehonden in de Nederlandse Waddenzee weer ruim 6000 dieren bedragen en daarmee terug zijn op het oude niveau van vlak voor de epidemie. Dit voorspoedige herstel was niet alleen te zien in het Nederlandse deel van de Waddenzee, maar ook in de gehele internationale Waddenzee van Den Helder tot Esbjerg in Denemarken. De gehele Waddenzee-populatie groeide sinds de laatste virusepidemie met ruim 15% en bedroeg in 2005 circa 21.000 dieren.
2004
Populatie gewone zeehonden volop herstellende in 2004
De gewone zeehonden kregen in 2003 en 2004 weer volop jongen. Op grond van de door Alterra-Texel uitgevoerde tellingen in 2004 wordt de totale populatie in de NL Waddenzee op 4700 zeehonden geschat, hetgeen bijna 35% hoger is dan in 2003. Het geboortepercentage, uitgedrukt als het aantal getelde jongen per totaal aantal getelde dieren, bedroeg 21,7% in 2004, iets hoger dan het gemiddelde in de periode 1990-2001.
De toename in aantallen was met circa 17% al hoog in de periode 1990-2001, omdat het haalbare biologische maximum voor deze soort 13% is. De groei met 35% van 2003 naar 2004 is daarom extreem sterk. Een plausibele verklaring is het tijdelijke relatief hoge aantal vrouwelijke zeehonden ten gevolge van een selectieve sterfte tijdens de virusepidemie in 2002. Dit resulteert in relatief veel geboortes zoals ook in 2003 is waargenomen. Verrassend genoeg is de jongen productie in 2004 nog hoger dan in 2003. Het aantal getelde jongen is bijna 45% hoger dan in 2003. De tellingen in de komende paar jaren zullen uitwijzen of 2004 een uitschieter was.
Wadden-zeehonden ook in de Noordzee
Bij het Alterra onderzoek naar het dieet van gewone zeehonden zijn dieren met satellietzenders uitgerust. Daaruit bleek o.a. dat gewone zeehonden uit de Waddenzee ook geregeld de Noordzee op gaan. Afstanden van 100 tot zelfs 200 km vanaf hun ligplaatsen in de waddenzee, zijn geen uitzondering. Ze komen wel regelmatig terug op de zandbanken in de Waddenzee om daar te rusten en vooral in de zomer de zwangere wijfjes om daar hun jong te werpen en te zogen en de andere dieren om te verharen. De bescherming van de zeehond moet dus niet ophouden bij de rand van de Waddenzee!
2003
In de zomer van 2002 sloeg een virusepidemie hard toe onder de gewone zeehonden. In 2003 telde de populatie 2.365 dieren, slechts de helft van het verwachte aantal zonder de epidemie.
De gewone zeehonden kregen in 2003 weer volop jongen. In de gehele internationale Waddenzee was het aantal jongen per zeehond zelfs hoger dan voor de epidemie. Mede door immigratie vanuit Duitsland en Denemarken zal de Nederlandse populatie na 4 tot 5 jaar weer op peil zijn.
2009
In 2009 werden de grijze zeehonden tellingen in Nederland, die tot dan toe alleen in het westelijk wad werden gehouden, ook naar het oostelijk waddengebied uitgebreid. Er waren aanwijzingen van de Waddenunit van LNV die in de Waddenzee werken dat de dieren recentelijk ook bij Ameland en Schiermonnikoog liggen. Die incidentele observaties bleken een vast patroon te zijn, in 2009 werd het maximum van 2108 grijze zeehonden geteld. Dat waren er beduidend meer dan in 2008, toen er 1716 werden geteld. Nederland heeft verreweg de grootste kolonie grijze zeehonden in de Waddenzee. In Duitsland worden kleinere kolonies gezien met in totaal 548 dieren. In Denemarken werden kleinere groepen gezien van een 30-tal dieren. In 2009 werden in totaal 2756 grijze zeehonden in de internationale Waddenzee geteld tijdens de verharing. Dat waren er 26% meer dan in 2008. Ook het aantal pups dat in de winter 2008-2009 werd geteld nam toe tot 387 (waarvan 272 in Nederland) en in 2007-2008 waren dat er 196 (107 in Nederland). Door de zachte winter werden de jongen dit jaar niet weggespoeld en werden minder dieren naar de opvang gebracht.
2008
In 2008 werden in het Nederlandse waddengebied 1716 grijze zeehonden geteld. In het Duitse deel totaal 272 en in Denemarken 206.
2007
Tijdens de tellingen in 2007 van de grijze zeehonden in de westelijke Nederlandse Waddenzee zijn in de verharingsperiode 1566 dieren geteld. Dat is 12.3% lager dan in dezelfde periode in 2006. Die getallen suggereren dat de groei van de kolonies grijze zeehonden in de laatste twee decennia in de westelijke Waddenzee dit jaar niet is gecontinueerd. Die conclusie kan correct zijn, maar er is ook een andere verklaring mogelijk. Uit waarnemingen van bewakingsschepen van LNV blijkt dat er behalve in de westelijke Waddenzee, ook steeds vaker grijze zeehonden in de rest van de Waddenzee worden gezien. Met name worden er relatief grote aantallen grijze zeehonden westelijk van Ameland waargenomen. Het zou kunnen zijn dat een deel van de kolonies uit de westelijke Waddenzee zich gedeeltelijk verplaatsen en er misschien minder stagnatie in de groei is dan de huidige tellingen aangeven. De tellingen van de grijze zeehonden zullen daarom in 2008 worden uitgebreid naar de oostelijker gelegen delen van de Waddenzee. Dan zal blijken of er sprake is van verandering in verspreiding hetzij een stagnerende of mogelijk afnemende groei.
In de kolonies in de westelijke Waddenzee zijn naar schatting minstens 200 jongen geboren. Dit aantal is lager dan afgelopen jaar, maar is sterk negatief beïnvloed door een periode van zware stormen die eind december plaatsvonden. Daardoor kon er niet worden geteld tijdens de piek van het geboorte seizoen. Ook hierover zullen de tellingen in het seizoen 2007-2008 meer duidelijkheid verschaffen.
2006
Groei grijze zeehond zet door in 2006
De grijze zeehond in de Waddenzee zet zijn opmars van de laatste jaren ook in 2006 voort. In het voorjaar werden in de Nederlandse Waddenzee 1786 dieren van deze soort geteld. Dat is een stijging van ruim 19 procent vergeleken met 2005. In de kolonies in het westelijk deel van de Waddenzee zijn in het geboorteseizoen december 2005/januari 2006 naar schatting minimaal 250 jongen geboren. Ook in de rest van de Nederlandse Waddenzee worden geregeld hier en daar groepen en individuele grijze zeehonden gezien en er zijn ook enkele jongen geboren. Het lijkt er op dat de grijze zeehond ook in het midden en oostelijke deel van de Waddenzee een vaste `flipper aan de grond` krijgt.
Nader onderzoek naar migratie
Immigratie van dieren uit Orkney, Schotland en de oostkust van Engeland is nog steeds de belangrijkste motor achter de sterke groei van de kolonies in de Waddenzee. Recent onderzoek laat inderdaad zien dat grijze zeehonden uit de Nederlandse Waddenzee grote trektochten ondernemen en daarbij hun hand niet omdraaien voor een bezoekje aan bijvoorbeeld Orkney. Of er wederzijdse uitwisseling is, en in welke mate, zal de komende jaren uit onderzoek blijken.
2005
Tellingen
De grootste kolonies grijze zeehonden in de gehele Waddenzee worden in het westelijk deel van de Nederlandse Waddenzee geteld. In het voorjaar van 2005 waren dat er 1500. In die kolonies werden in het geboorteseizoen december 2004-januari 2005, minstens 200 jongen geboren. Verder werden grotere kolonies grijze zeehonden gezien bij Amrum in Sleeswijk-Holstein (circa 150-200 stuks) en bij Helgoland (circa 200 stuks). Nederland herbergt dus ruim driekwart van alle grijze zeehonden in de internationale Waddenzee.
Snelle groei ook door immigratie
De kolonies in de westelijke Waddenzee bij Texel, Vlieland en Terschelling groeiden zeer snel. De toename in het seizoen 2004/2005 bedroeg 35%. Dit is uitzonderlijk hoog vergeleken met de gemiddelde jaarlijkse aanwas sinds 1980 van 19%. Die recente aanwas kan niet worden verklaard door het aantal geboortes van minstens 200 in 2004/2005. Immigratie vanuit Schotland en de Engelse oostkust was de belangrijkste factor die deze voorspoedige ontwikkeling mogelijk maakte.
Langjarig onderzoek gestart
De conclusie is dat het goed gaat met de grijze zeehond in de Nederlandse. Dat houdt in dat de grijze zeehond weer een volwaardig en volwassen onderdeel van onze wilde fauna is. Om daar ook een verantwoord natuurbeleid en natuurbeheer te kunnen voeren is een goede ecologische kennis van deze voor ons nog vrij onbekende soort nodig. Daarom is Alterra op verzoek van LNV begonnen met een langjarig onderzoek naar de aantalontwikkelingen en verspreiding van de grijze zeehond en hoe zij hun leefgebied gebruiken.
2004
Grijze zeehondenpopulatie blijft groeien in 2004
De grijze zeehondenpopulatie in de Waddenzee blijft groeien. Deze soort heeft weinig te lijden gehad van het virus dat de gewone zeehonden trof. Het hoogste aantal getelde grijze zeehonden in 2004, bedroeg 1111 stuks. Naar schatting zijn er minstens 150 jongen geboren.
2003
De grijze zeehondenpopulatie in de Waddenzee blijft groeien. Ze leven vooral tussen Vlieland en Terschelling. In het voorjaar van 2003 zijn ruim 1100 dieren geteld. Daaruit volgt dat de populatie sinds de eerste kolonie begin jaren tachtig, jaarlijks met gemiddeld twintig procent groeit. Een deel daarvan is afkomstig uit kolonies aan de Engelse oostkust.
De rust- en ligplaatsen van grijze zeehonden zijn minder goed beschermd dan gewone zeehonden. Dat komt omdat enkele grote ligplaatsen buiten het Natuurbeschermingswetgebied liggen. De bescherming voor de ligplaatsen van gewone zeehonden geldt slechts van 15 mei tot 1 september. De geboorte- en zoogperiode van grijze zeehonden (december - januari) ligt echter buiten dit tijdvak. Een adequate bescherming vraagt om aanvullende beheersmaatregelen.
2007
Opvang
210 gewone zeehonden uit de waddenregio werden in 2007 opgevangen waarvan het merendeel (189) in Pieterburen, hiervan overleefden 26 het niet. Dit is een opmerkelijke stijging ten opzichte van eerder jaren. Er werden ook meer grijze zeehonden opgevangen, totaal 145, waarvan 127 in Pieterburen, hiervan overleefdfen 3 grijze zeehonden het niet.
Uitzetten van zeehonden
in 2007 zijn ook veel opgevangen zeehonden weer uitgezet: 203 gewone en 123 grijze zeehonden konden na aansterken in de opvang weer terug naar de Waddenzee. Hierbij zaten ook een aantal in 2006 reeds opgevangen zeehonden.
2006
Opvang
In 2006 zijn in totaal uit de waddenregio 115 gewone zeehonden opgevangen, waarvan 7 in Ecomare op Texel en 108 door de zeehondencrèche in Pieterburen. Van deze zeehonden hebben 10 het niet overleefd. Ook zijn er nog 80 grijze zeehonden opgevangen, waarvan 4 zijn doodgegaan in de opvang.
Uitzetten van zeehonden
In totaal zijn er in 2006 86 gewone en 81 grijze zeehonden uitgezet.
2005
Opvang
In 2005 zijn er in totaal 101 gewone zeehonden opgevangen, waarvan 12 in Ecomare op Texel en 89 in de zeehondencrèche te Pieterburen. Het aantal opgevangen grijze zeehonden lag in totaal op 76, respectievelijk 11 in Ecomare en 65 in Pieterburen.
Van deze opgevangen zeehonden hebben 8 gewone en 2 grijze het niet overleefd.
Uitzetten van zeehonden
In 2005 heeft Ecomare 11 gewone en 17 grijze zeehonden uitgezet, terwijl deze aantallen voor Pieterburen lagen op respectievelijk 85 en 93.
2004
Opvang
In 2004 zijn er in totaal 146 gewone zeehonden opgevangen, waarvan 21 in Ecomare op Texel en 115 in de zeehondencrèche te Pieterburen. Het aantal opgevangen grijze zeehonden lag in totaal op 130, respectievelijk 8 in Ecomare en 122 in Pieterburen. Het merendeel van deze zeehonden is afkomstig uit de Waddenzee.
Uitzetten van zeehonden
In 2004 heeft Ecomare 17 gewone en 13 grijze zeehonden uitgezet, Pieterburen respectievelijk 88 gewone en 127 grijze zeehonden.
2003
Opvang
In 2003 zijn er in totaal 105 gewone zeehonden opgevangen, waarvan 15 in Ecomare op Texel en 90 in de zeehondencrèche te Pieterburen. Het aantal opgevangen grijze zeehonden lag in totaal op 117, respectievelijk 16 in Ecomare en 101 in Pieterburen. Van deze opgevangen zeehonden hebben 18 gewone en 3 grijze het niet overleefd.
Uitzetten van zeehonden
In 2003 heeft Ecomare 25 gewone en 8 grijze zeehonden uitgezet, Pieterburen respectievelijk 96 en 39.
2008
Het oppervlak aan mosselbanken in het droogvallende deel van de Waddenzee, het litoraal, is in het voorjaar van 2008 bepaald op 1511 hectare. Een deel is niet ingemeten, maar wel gezien vanuit de lucht. Uit de broedval van 2007 is slechts 3 ha zaadbanken aangetroffen, waardoor de banken vooral uit meerjarige mosselen bestaan. Het areaal mosselbanken is de laatste 5 jaar afgenomen.
Mosselbanken in 2007
In het kader van onderzoek naar de lange termijn ontwikkeling van mosselbanken en de factoren die het al dan niet het overleven van mosselbanken bepalen, worden door IMARES sinds 1993 enkele individuele mosselbanken in detail bestudeerd.
Het totale bankoppervlak van de individuele banken die al langere tijd worden gevolgd is afgenomen in vergelijking met 2006. Aannemelijk is dat de winterstormen van November 2006 en Januari 2007 hier een grote rol in hebben gespeeld. In 2006 en 2007 heeft er op het litorale deel van de Waddenzee ook nauwelijks broedval plaatsgevonden. Toch zijn niet alle mosselbanken uit dit project in oppervlakte afgenomen. Deze verschillen kunnen ontstaan door locatie (en dus blootstellingen aan storm of predatie) of door karakteristieken van de mosselbank (de mate waarin deze bestand is tegen stromen en predatie).
De resultaten uit de hier gepresenteerde bemonsteringen geven aan dat mosselbanken, ondanks dat ze vrij dynamisch van vorm, oppervlakte en bedekking kunnen zijn, een groot aantal jaren aanwezig kunnen zijn.
Het oppervlak aan mosselbanken in het droogvallende deel van de Waddenzee, het litoraal, is in het voorjaar van 2007 bepaald op 1865 hectare. De hoeveelheid mosselen op de droogvallende platen is berekend, op basis van bemonstering in het voorjaar, op 49,3 miljoen kilo. Hiervan was 59% volwassen, 38,7% halfwas en 2,3% zaad. De hoeveelheid mosselen in het permanent onderwater staande gebied, het sublitoraal, in de westelijke Waddenzee in 2007 is in het voorjaar berekend op 48,8 miljoen kilo bij aanvang van de visserij. Daarna werd er in het voorjaar 15,4 miljoen kilo mosselen opgevist door mosselvissers. Tijdens het inventariseren van de litorale mosselbanken wordt gekeken of er oesterbroed op de mosselbank aanwezig is. Op die manier is in 2007 op 30 nieuwe locaties oesterbroed aangetroffen.
Mosselbanken in 2006
Het oppervlak aan mosselbanken in het droogvallende deel van de Waddenzee (litoraal) is in het voorjaar van 2006 bepaald op 2692 hectare. Een deel van deze banken bestaat uit gemengde banken met mosselen en Japanse oesters. Het blijkt dat deze oesters in toenemende mate een aantal mosselbanken banken zijn gaan domineren en dat die banken oesterbanken zijn geworden. In 2006 werd 376 hectaren aan mosselbank in verre staat van veroestering aangetroffen.
De hoeveelheid mosselen op de droogvallende platen is berekend op basis van bemonstering in het voorjaar (voor de vestiging van jonge mosseltjes) op 56,7 miljoen kilo. Hiervan was 54% volwassen, 26% halfwas en 19% zaad mosselen.
De hoeveelheid mosselen in het permanent onderwater staande gebied (sublitoraal) in de westelijke Waddenzee in 2006 is in het voorjaar berekend op 16.1 miljoen kilo.
Daarna werd er in twee perioden tezamen 11.9 miljoen kilo mosselen opgevist door mosselvissers. Na die visserij bleek er in November/December nog 28.8 miljoen kilogram mosselen aanwezig die de winterstormen tegemoet gingen.
Het verschil tussen voorjaar en najaarsbestand binnen één jaar ontstaat door groei van de mosselen die de voorgaande winter overleeft hebben en de vestiging van nieuwe mosselen (mosselzaad) waarvan er in December 0.39 miljoen kilo werd aangetroffen. De zaadval 2006 was daarmee heel beperkt.
Mosselbanken in 2005
Het afgelopen decennium is het areaal mosselbanken sterk gegroeid. Na een redelijke broedval in 2005 is het aantal hectares droogvallende (litorale) mosselbanken in 2006 geschat op ruim 2600 hectare. Dit is een toename van ruim 600 hectare ten opzichte van de mosselbanken in het voorjaar van 2005. De resultaten van karteringen en populatie metingen van enkele individuele mosselbanken geven duidelijk aan dat de mosselbanken als structuur op een bepaalde locatie een stabiel en langdurig verschijnsel zijn. Na de eerste jaren ontstaat geleidelijk een bank met meerdere jaarklassen. De banken lijken af en toe een sterke broedval nodig te hebben om te overleven. De in de meeste jaren optredende broedvallen binnen bestaande banken lijken daarvoor niet voldoende.
Toename mosselbestand op de platen
Het mosselbestand op de droogvallende (litorale) platen is in 2006 toegenomen met 6 miljoen kg versgewicht ten opzichte van het voorgaande jaar en komt nu uit op 56.7 miljoen kg. De toename van het bestand was te danken aan een redelijke broedval in 2005, 20% van het mosselbestand waren zaadmosselen uit 2005. In het sublitoraal van de Westelijke waddenzee werd in totaal nog eens 16,3 miljoen kg versgewicht mosselen aangetroffen, hiervan bestond 9, 4 miljoen kg uit mosselzaad van 2005.
Goede broedval 2003 gunstig voor mosselbanken
Het afgelopen decennium is het areaal mosselbanken sterk gegroeid. De voortekenen voor 2004 zijn gunstig. Het jaar 2003 kende namelijk een goede broedval. Dit in tegenstelling tot 2002, toen nauwelijks nieuwe mossels het licht zagen. Het areaal mosselbanken in het najaar daalde hierdoor van 5.000 hectare in 2002 naar 3.000 in 2003. Gewoonlijk halveert het oppervlakte vervolgens in het voorjaar, waarna het in het najaar weer toeneemt.
Ondanks deze recente afname groeiden de individuele mossels. De totale populatie verdubbelde daardoor zelfs tot ruim 50 miljoen kilo mosselvlees.
Het merendeel van de oude banken wist zich in 2003 te handhaven. Zo leden de banken bij Ameland en Schiermonnikoog nauwelijks onder de slechte broedval. In 2003 trof men er zelfs een aanzienlijke hoeveelheid jonge mossels aan.
De oude mosselbank op het Brakzand onder Schiermonnikoog wordt sinds 1997 nauwlettend gevolgd. Deze bank breidde zich door de goede broedvallen van 1998 en 2001 sterk uit. De zware oktoberstorm van 2002 sloeg echter grote gaten, waardoor het oppervlakte halveerde. In 2004 zal blijken of de bank weer herstelt door de goede broedval van 2003.
2008
In 2008 werd veel jong oesterbroed aangetroffen. De biomassa werd geschat op 62 miljoen kilo versgewicht, waarvan 26 miljoen kilo in het litoraal (2007 : 28 miljoen kilo versgewicht, waarvan 19 in het litoraal). Met name de toename in het sublitorale deel van de Waddenzee is opvallend.
Figuur: bestandsschattingen Japanse Oester Waddenzee litoraal
2007
De oesterpopulatie groeit duidelijk door. Op basis van een beperkte bestandsopname is de biomassa geschat op 28 miljoen kilo, hetgeen niet veel afwijkt van de biomassaschattingen in 2005 en 2006. Dit suggereert dat het oesterbestand sinds 2005 niet is toegenomen. Uit de aantallen oesters blijkt echter een sterke toename van het aantal kleine oesters. De in 2007 aangetroffen hoeveelheden kleine oesters doen sterk denken aan de situatie in 2004. De aanwezigheid van veel kleine oesters in 2004 leidde tot een >150% toename van de biomassa in 2005. Voor 2008 wordt dan ook een sterke toename van het oesterbestand in de Waddenzee verwacht.
2006
In 2006 werden 385 hectare met 'strooi' (= een zeer lage dichtheid) oesters aangetroffen. In totaal werd in 2006 799 hectare aan oesterbanken aangetroffen, waarbij 376 hectare een mengsel van mossel en oesters waren.
2005
In 2006 is inmiddels bijna 470 ha droogvallende (litorale) Japanse oesterbanken in kaart gebracht. Daarnaast werd de Japanse oester veelvuldig aangetroffen in bestaande droogvallende mosselbanken. In 500 hectare mosselbanken zijn oesters waargenomen, dit komt neer op 20% van het totale oppervlakte aan mosselbanken.
2003
De Japanse oester nam in 2003 in aantal explosief toe. Bij Texel en Den Helder is sinds kort sprake van echte oesterriffen, die de bestaande mosselbanken deels overwoekeren. In 2002 werd een campagne gestart om de verspreiding van de oesters in kaart te brengen. Iedereen kon waarnemingen doorgeven op de website Interwad. Uit de resultaten blijkt dat de oester in 2002 nog slechts sporadisch voorkwam. Ze groeide in kleine aantallen op enkele mosselbanken onder Ameland, maar verder naar het oosten leken de mosselbanken nog gevrijwaard.
2007
De totale kokkelbiomassa in de Waddenzee bedroeg bij de bemonstering in het voorjaar van 2007 327 miljoenkilo versgewicht, waarvan 5.6 miljoen kilo in het sublitoraal. 62 % van het aangetroffen kokkelbestand bestond uit tweejarige kokkels, 2.3 % bestond uit éénjarige kokkels
De totale kokkelbiomassa in de Waddenzee in het najaar is berekend op 374 miljoen kilo versgewicht hetgeen bij een vleesgehalte van 15% correspondeert met een biomassa van 56 miljoen kilo kokkelvlees. De oogstbare biomassa in september, hoeveelheden kokkelvlees in dichtheden boven 50 kokkels/m2, in de voor visserij gesloten gebieden is geschat op 17 miljoen kilo kokkelvlees . In de resterende gebieden is in het najaar naar verwachting 24 miljoen kilo vlees aanwezig in oogstbare dichtheden boven 50 kokkels/m2, waarvan 0.5 miljoen kilo in het sublitoraal. Voor handkokkelvissers zijn de banken met dichtheden van 600 kokkels/m2 of meer belangrijke visgebieden. In de voor de visserij open gebieden is de hoeveelheid kokkelvlees aanwezig in oogstbare dichtheden van 600 kokkels/m2 in het najaar geschat op 5.8 miljoen kilo kokkelvlees de totale oppervlakte van deze banken is geschat op 1284 hectare. De trend over de laatste 5 jaar is stijgend.
2006
Het kokkelbestand in de Waddenzee werd in 2006 berekend op 218 miljoen kilogram. 32% van de aangetroffen kokkels bestond uit één jarige kokkels, afkomstig uit de broedval van 2005. Een klein deel - 3.2 miljoen kg - van het totale bestand werd in het sublitoraal aangetroffen.
2005
In 2005 was er sprake van een goede broedval; 30% (70 miljoen kg) van het kokkelbestand in het voorjaar van 2006 bestond dan ook uit 1-jarige kokkels. Meer dan 50% (116 miljoen kg) bestond uit meerjarige kokkels.
2004
De broedval van 2003 was zeer omvangrijk. Dit heeft geleid tot een toename van het kokkelbestand in het voorjaar van 2004 tot 210 miljoen kilo. Bovendien zijn in het open gebied relatief veel eenjarige kokkels aangetroffen
2003
Het kokkelbestand is in 2003 bijna gehalveerd. In het voorjaar bedroeg de totale kokkelbiomassa 44 miljoen kilo kokkelvlees, tegen 90 miljoen in 2002. In het najaar was het verschil nog groter. In 2003 lag er 15 miljoen, tegen 43 miljoen in 2002.
De helft van de kokkels lag in gebieden die voor de schelpdiervisserij gesloten waren. In deze gesloten gebieden was het aandeel meerjarige kokkels duidelijk groter dan in het open gebied.
Klein zeegras komt met name voor onder Terschelling, langs de Groninger kwelders en langs de rand van het Balgzand (in de kop van Noord-Holland). Groot zeegras komt voor in de Eemsmonding op de Paap en op een slik bij de Eemshaven (Voolhok).
Het totale areaal Klein zeegras velden in de Waddenzee is toegenomen. Het areaal klein zeegras langs de Groninger kwelderwerken nam toe in 2008. Op de locatie Terschelling oost nam het areaal klein zeegras af in 2008.
Op de locatie Hond/paap is het Groot zeegrasveld sterk in omvang afgenomen. Na een afname in 2005 is er in 2008 ook een sterke afname te zien. Het areaal Groot zeegras op de locatie Voolhok nam toe in 2008. Totaal Waddenzee nam het areaal Groot zeegras af, ook het aantal pollen is in 2008 afgenomen.
De Waddenzee kent kwelders langs grote delen van de vastelandkust en aan de wadzijde van de eilanden in de luwte van stuifdijken en soms als groen strand aan de Noordzee-zijde. Vroeger bleven de kwelders van nature min of meer in stand, maar na vele indijkingen in de afgelopen eeuwen dienen veel vastlandskwelders tegen afslag te worden beschermd.
Ontwikkelingen door de eeuwen heen
De randvoorwaarden voor kwelderaanwas langs de vastelandkust zijn in de oostelijke Waddenzee van nature veel gunstiger dan in de westelijke Waddenzee. In 1600 was het areaal kwelders in Groningen 7900 ha en in Friesland 2700 ha. Na een serie grote indijkingen in de 19e eeuw is het areaal in beide provincies anno 2006 laag: 900 ha in Groningen en 1250 ha in Friesland. De huidige vastelandkwelders zijn het resultaat van menselijke invloed: kwelderwerken ten behoeve van de landaanwinning. De afgelopen jaren is er weer een toename te zien in de kwelderarealen.
afdruk
Ga naar de pagina die u wilt afdrukken en toets vervolgens "Ctrl + P".